Dromen en Luciditeit

Over slaap en dromen, lucide dromen en hun toepassingen.

Floris Lambrechts

This text is licensed to the public under the terms of the GNU Free Documentation License, version 1.2. The copyright is held by the author, Floris Lambrechts.


Dedication

Ik draag deze versie van deze tekst op aan Katrien, mijn vriendin die me altijd gesteund heeft in mijn droom-experimenten, en volledig begrijpt waarom ik altijd van die Linux-dingen doe. I love you!

Table of Contents

Voorwoord
Inleiding
1. De slaap
1.1. Definitie
1.2. Functie
1.3. Kenmerken
1.4. Het circadiaan ritme
1.5. Oorzaak
1.6. Slaapfases
1.7. REM
2. Droom
2.1. Definitie
2.2. Verklaring
2.2.1. Freud
2.2.2. Jung
2.2.3. Gedragspatronen
2.2.4. Activatie-synthese hypothese
2.2.5. Mitchison en Crick
2.3. Inhoud
2.4. Nachtmerrie
2.5. Onthouden
2.5.1. Voornemen
2.5.2. Wanneer
2.5.3. Opschrijven
2.5.4. Lichaamshouding
2.5.5. Methode
2.6. Dromen buiten REM
2.6.1. Psychoneirica
2.6.2. Inslaapdroom
3. Lucide dromen
3.1. Definitie
3.2. Kenmerken
3.3. Toepassingen
3.3.1. Droomcontrole
3.3.2. Nachtmerriebestrijding
3.3.3. Lichamelijke training
3.3.4. Droomvrienden en persoonlijke ontwikkeling
3.3.5. Andere
3.4. Leren
3.4.1. Technieken
3.4.2. Hulpmiddelen
3.4.3. Problemen
3.5. Andere bewustzijnstoestanden
4. Lucide dromen in andere culturen
4.1. Oudheid
4.2. Amerikaanse Indianen
4.3. Senoi
4.4. Boeddhisme
5. Besluit
Bibliografie

Voorwoord

Dit is een eindwerk waar veel werk is ingeslopen. Het onderwerp heeft ook helemaal niks te maken met mijn studiekeuze voor na dit zesde jaar. Nee, ik heb lucide dromen als onderwerp gekozen omdat ik er een enorme interesse voor had.

Ik kende het fenomeen uit een korte reeks artikelen in Humo, vele jaren geleden. Ik had, vóór ik aan het eindwerk begon, op internet al de zeer interessante site van `the Lucidity Institute' gevonden en enkele boeken aangeschaft die daar aanbevolen werden. Toch heb ik dit onderwerp niet gekozen om er gemakkelijk vanaf te zijn (dat mag uit dit eindwerk wel blijken, hoop ik).

Toen ik doorhad dat ik vrij gemakkelijk en snel twintig bladzijden zou kunnen vullen, heb ik beslist om enkel die dingen weg te laten die ik zelf niet interessant genoeg vond. En dat waren er niet veel...

Doordat er meer informatie beschikbaar was over `gewone' dromen, is het eindwerk dan ook gaandeweg geëvolueerd naar twee onderwerpen: dromen en lucide dromen. En daar hoort dan ook nog een stevige inleiding bij over de slaap. Dat ik niet álle aspecten van dromen besproken heb (zoals bijvoorbeeld de betekenis van verschillende symbolen of droomverklaring door middel van de Gestalttheorie) zal wel niemand me kwalijk nemen.

Het werken met de computer was, door ervaring, niet echt een probleem voor mij. Mijn drang om grote stukken van het werk in één keer te doen zorgde ervoor dat ik anderhalve week voor de deadline nog maar één ding moest doen: een titel bedenken. Geen gemakkelijke opdracht.

Ik zou vooral mijn begeleidster mevrouw Milis willen danken voor de raad en tips, mijn moeder voor het test-lezen van een vroege versie, haar stokoude PC die nog altijd niet de geest gegeven heeft en mijn broer Maarten voor het lelijk vinden van mijn vorig lettertype. Hij had gelijk! En natuurlijk ook dank aan alle andere mensen die me steunden door het luisteren naar mijn uitleg en door het stellen van interessante vragen.

In ieder geval, ikzelf ben zeer tevreden en ik hoop enkel dat iedereen die de moeite neemt om dit eindwerk te lezen even geboeid wordt door het onderwerp als ikzelf.

De grootste voldoening zou zijn, dat de lezers zelf boeken beginnen te lezen over (lucide) dromen en `s nachts misschien zelf eens een experimentje wagen.

Inleiding

Aan dromen wordt in onze cultuur weinig aandacht besteed. Toch kunnen ze, zoals verder zal blijken, enorm nuttig, waardervol en plezierig zijn. En één speciale vorm van dromen, luciditeit, biedt zelfs bijna onbegrensde mogelijkheden voor alles wat men maar bedenken. Daarover gaat dit eindwerk.

Om een stevig basis te leggen voor de vele informatie over dromen, wordt eerst de slaap besproken (zoals iedereen wel weet de enige periode waarin dromen voorkomen). Daarna worden veel aspecten van dromen uitgelegd, zowel hun ontstaan als de inhoud worden besproken. Vervolgens worden de lucide dromen behandeld, met daarna een korter hoofdstuk over de visie op en het gebruik van dromen in enkele andere culturen.

Hopelijk is het een boeiend, vloeiend en fascinerend geheel om te lezen

Chapter 1. De slaap

Dromen komen per definitie enkel voor tijdens de slaap. Maar wat is slaap eigenlijk, en hoe komt het dat iedereen zoveel slaap nodig heeft? Om dromen goed te begrijpen, is het nuttig om de functie van slaap te doorgronden.

1.1. Definitie

De definitie van slaap zegt dat het een bepaalde toestand is die bij de meeste gewervelde dieren voorkomt. Het lichaam verkeert in rust, en er is een verminderd bewustzijn van uitwendige prikkels. Een volwassene slaapt gemiddeld zeven tot acht uur per dag, kinderen slapen langer en zeer oude mensen minder. Aangezien slapen meer tijd in beslag neemt dan bijvoorbeeld eten en drinken, moet de slaap wel een belangrijke functie hebben.

1.2. Functie

Eén van de belangrijkste functies van slaap is heel eenvoudig het uitrusten. Na een dag van activiteit heeft het lichaam behoefte aan een veilige, stabiele periode waarin het wonden kan helen, de stofwisseling kan regelen enz. Ook van de groei is aangetoond dat die voornamelijk 's nachts gebeurt. Een fenomeen dat bij het herstel van het lichaam zeer belangrijk is, is het circadiaan ritme.

Om uit te zoeken welke functies de slaap nog meer heeft, hebben verschillende mensen deelgenomen aan experimenten met slaapdeprivatie. Dat houdt in, dat proefpersonen op vrijwillige basis zo lang mogelijk proberen om niet in slaap te vallen. Tot de meest geslaagde en best opgevolgde pogingen behoren die van de New Yorkse diskjockey Peter Tripp, en die van de scholier Randy Gardner. De eerste bleef 200 uren wakker en sprak op het einde verward en onduidelijk en kreeg 's nachts zelfs paranoïde wanen en gehoorshallucinaties. Ook weigerde hij op het einde alle medewerking met zijn begeleiders. Beter verging het de 17-jarige Gardner, die het 264 uur uithield (en er toen een vermelding in het Guinness Book of Records aan overhield). De jongeman, die overigens een goede conditie had, kreeg enkel last van vermoeide ogen en had soms enkele moeilijke momenten tijdens de nacht. Op het einde werd hij mee wakker gehouden door de talrijk opgedaagde pers en publiek. Hij slaagde er na afloop nog perfect in om een persconferentie te leiden en sliep vervolgens 14 uur en 40 minuten.

Dit betekent echter zeker niet dat de slaap overbodig is. Dement, die bij beide experimenten aanwezig was, wijst namelijk op het feit dat tijdens een lange periode van slaapdeprivatie de proefpersonen regelmatig 'absences' hebben, die eigenlijk een soort van zeer korte slaapjes zijn.

Verder is het ook overduidelijk dat slaapgebrek een invloed heeft op het humeur en het algemeen 'welzijn'. Dit heeft duidelijk ook een mentale oorsprong, en wordt verderop besproken.

1.3. Kenmerken

Zoals bekend heeft een slapend persoon de ogen gesloten en reageert hij niet op uitwendige prikkels. Wanneer hij of zij dat wel doet, is hij namelijk per definitie wakker, enkele uitzonderingen daar gelaten. Bij het ontwaken weet de slaper doorgaans niet wat hij die nacht heeft meegemaakt, behalve als hij zich een droom herinnert.

Zoals gezegd, duurt de slaap gemiddeld 7 tot 8 uur. Er is echter een kleine groep mensen die extreem lange of korte nachten nodig hebben om uitgerust te zijn. Uit een onderzoek bij een miljoen Amerikanen, bleek dat na een periode van 6 jaar er in de groep mensen met een extreme slaap-duur meer sterfgevallen waren dan in de 'gewone' groep. Een echte oorzaak voor dit verschijnsel kon men echter niet vinden.

De hersenen verkeren tijdens de slaap in een andere toestand dan tijdens het waken; de hersengolven (die opgetekend worden in een Electro EncefaloGram of EEG) hebben een andere frequentie. Overdag vertonen de hersenen zogenaamde alfagolven: regelmatige ritmes van tien trillingen per seconde (Hertz). In slaaptoestand wisselen de frequenties tussen thèta- en deltagolven, met frequenties die variëren van een halve tot vijftien Hz. De verschillende frequenties wisselen elkaar af volgens een bepaald stramien, de zogenaamde slaapstadia.

1.4. Het circadiaan ritme

De concentratie van de hoeveelheid `slaapstof' in de hersenen en de daarmee samenhangende slaapperiodes verlopen volgens een patroon van vierentwintig uur: het circadiaan ritme (circadiaan: zoals een etmaal). Het is duidelijk dat dit zo is omdat een dag op aarde 24 uur duurt, en het slapen best gebeurt tijdens de minst productieve periode: de (donkere en dus gevaarlijke) nacht. Ook andere cycli verlopen volgens het circadiaan ritme, onder meer de hormoonwerking (groeihormoon wordt vooral 's nachts afgescheiden), de lichaamstemperatuur die 's avonds het hoogst is en 's morgens het laagst, en de concentraties van mineralen en metalen in het bloed.

In hoeverre het circadiaan ritme wordt beïnvloed door factoren van buitenaf zoals licht en geluid, werd onderzocht in een experiment waarbij proefpersonen enkele weken verbleven in een bunker nabij München. Ze waren volledig van de buitenwereld afgesloten; er kwam geen licht of geluid van de buitenwereld binnen en ook klokken en media zoals televisie en kranten werden geweerd. De deelnemers waren wel voorzien van alle comfort en konden hun tijd naar eigen keuze doorbrengen met lezen, schrijven of naar muziek luisteren, zodat de meesten het een aangename periode vonden. De resultaten waren verassend: in plaats van 24 uur, duurde een gemiddelde dag in de bunker 25 uur. De proefpersonen sliepen even lang als gewoonlijk, maar bleven telkens een uur langer wakker. Toen de proef na 15 dagen eindigde waren de deelnemers verrast, omdat ze dachten dat ze nog maar 14 dagen in de bunker doorgebracht hadden.

Er zijn dus elementen die ons slaap- en waakritme aanpassen aan de 24-uur cyclus. Zulke factoren, zoals bijvoorbeeld zonlicht of een wekker, worden Zeitgebers (dus tijd-gevers) genoemd.

Verschijnselen zoals jetlag en slaapstoornissen door onregelmatig nachtwerk zijn eenvoudig te verklaren met het circadiaan ritme. Iemand die naar een ander land vliegt met een tijdsverschil van enkele uren, heeft per uur een dag nodig om zijn eigen circadiaan ritme op te schuiven naar de plaatselijke tijd. Als de reiziger slechts enkele dagen in het vreemde land verblijft kan het de moeite zijn om gewoon de uren van thuis aan te houden, maar dan is er wel het probleem dat de plaatselijke Zeitgebers het ritme in de war sturen. Iemand die op onregelmatige tijden nachtwerk doet, heeft als het ware telkens een jetlag van maximum 12 uur.

Doordat het ritme zonder Zeitgebers 25 in plaats van 24 uur duurt, is de jetlag van oost naar west veel makkelijker te verteren dan omgekeerd. Iemand die in westelijke richting vliegt moet zijn ritme namelijk verlengen om zich aan te passen en dat gaat gemakkelijker dan het ritme inkorten.

1.5. Oorzaak

Slaap is zeer moeilijk tegen te houden; iedereen weet dat na een periode van wakker zijn inslapen onvermijdelijk wordt. Om te onderzoeken of de oorzaak hiervan misschien chemisch was, voerde de Franse fysioloog Henri Pieron een experiment uit op proefdieren. Hij hield honden een tijdje wakker en tapte daarna het hersenvocht af. Dat werd dan geïnjecteerd bij andere honden, die daarop meteen insliepen. Zijn conclusie was, dat er een stof bestaat die in het hersenvocht van de ene hond wel aanwezig was en bij de andere niet. Pas in 1981 slaagde een groep van de universiteit van Harvard erin om de zogenaamde S-factor (de stof die slaap opwekt) af te scheiden. De 'slaapstof' bleek een klein eiwitmolecule te zijn, waarvan op dat moment de exacte chemische samenstelling niet te achterhalen was. Wetenschappers zouden die graag kennen, om zo de stof synthetisch na te kunnen maken. Hiervan kunnen ze dan een ideaal en 'natuurlijk' slaapmiddel maken dat niet verdovend werkt en geen bijwerkingen heeft.

Het in slaap vallen is dus het gevolg van de aanwezigheid van een chemische stof in de hersenen. 's Nachts wordt die stof afgebroken, en in de loop van de dag stijgt de concentratie totdat we weer gaan slapen. Het is dus logisch dat slaapdeprivatie niet onbeperkt kan blijven duren: na een tijd wordt de concentratie van slaapstof zo groot, dat wakker blijven onmogelijk wordt. Hoe groter de concentratie van de slaapstof, hoe intenser de slaap (hoe meer deltagolven.)

1.6. Slaapfases

Naast het circadiaan ritme dat 24 uur duurt, is er ook nog het ultradiaan ritme van 90 minuten. Dit is, zoals William Dement het noemt, het fundamentele slaappatroon van negentig minuten. Het bestaat uit 5 verschillende slaapfases die na elkaar herhaald worden. Aangezien de cyclus anderhalf uur duurt, komt het per nacht dus zo'n vier a vijf keer voor. De fases onderscheiden zich op basis van hersenactiviteit, oogbewegingen, hartslag, ademhaling en spierspanning.

  • Fase 1: overgang waken-slapen

    In de eerst fase verlaagt de frequentie van de hersengolven van tien Hz (de toestand van ontspannen wakker zijn) tot vier à zeven Hertz: de thètagolven. Uiterlijk gebeurt er niet veel, behalve dat de ogen achter de oogleden trage, rollende bewegingen maken: Slow Eye Movements of SEM. Die werden voor het eerst onderzocht in 1953 in het slaaplaboratorium van Kleitman in Chicago. Kleitmans verdienste was dat hij als eerste EEG-metingen combineerde met metingen van de oogactiviteit.

  • Fase 2: overgang inslapen - diepe slaap

    Op het EEG verschijnen nu korte synchrone ritmes van 12 tot vijftien Hz, de slaapspoelen. Ook treden er scherpe, onverwachtse pieken op: de K-complexen.

  • Fase 3: Begin diepe slaap

    Deze fase begint ongeveer dertig minuten na het inslapen. Minder dan de helft van deze fase bestaat uit de trage deltagolven van een halve tot drie Hertz.

  • Fase 4: Diepe slaap

    Vormt samen met fase drie de diepe slaap en bestaat vooral uit deltagolven. Het is in deze fase dat slaapwandelen zich voordoet. Verdovende middelen zoals Valium en alcohol onderdrukken de diepe slaap, en daarmee dus ook het slaapwandelen.

  • Fase 5: REM slaap

    REM zijn de Rapid Eye Movements of snelle oogbewegingen die kenmerkend zijn voor dromen. Ze werden ontdekt in het hoger vermelde experiment in het slaaplabo van Kleitman in Chicago, maar eigenlijk was het één van Kleitmans leerlingen, Aserinsky, die de ontdekking deed. Dat jaar, 1953, wordt algemeen beschouwd als het jaar nul van het wetenschappelijk droomonderzoek. Het EEG lijkt tijdens deze fase sterk op dat van wakker zijn: het zijn snelle golfjes met een lage amplitude die doen denken aan de tanden van een zaag. Elektronisch lijkt het dus alsof men wakker is. De hersengolven zijn net als in de eerste fase thèta-golven. De hartslag en de ademhaling worden onregelmatiger, maar daarom niet noodzakelijk sneller, en de geslachtsorganen worden beter doorbloed wat bij de man doorgaans resulteert in een erectie. Ten slotte geeft het ElektroMyoGram of EMG, dat de spierspanning toont, aan dat de spierspanning totaal afwezig is. Het lichaam is met andere woorden verlamd, waardoor slaapwandelen in deze fase onmogelijk is.

Fase vijf is de fase van de REM-slaap. De andere vier fases worden ook soms aangeduid als niet-REM, of kortweg NREM.

Het ultradiaan ritme duurt telkens ongeveer negentig minuten, maar de slaapfases waaruit het bestaat veranderen wel van duur. In het eerste deel van de nacht is er vooral meer diepe slaap, in het tweede deel vooral veel REM-slaap en slaap van de tweede fase. De vijfde fase, waarin dromen voorkomen, wordt telkens langer en de dromen worden dus langer naarmate de slaap langer duurt. De eerste keer dat de cyclus doorlopen wordt duurt de REM-periode zo'n tien minuten; op het einde van de nacht kan dat oplopen tot zo'n drie kwartier.

1.7. REM

De functie van de snelle oogbewegingen is nog altijd niet helemaal doorgrond. De oogspieren blijken de enige spieren in het lichaam te zijn die niet verlamd zijn tijdens de vijfde fase. Aangezien men tijdens de REM droomt, is het logisch om aan te nemen dat de ogen gewoon de bewegingen volgen die de dromer in de droom met zijn ogen maakt. Deze scan-hypothese is wel bewezen voor enkele bepaalde gevallen, maar toch is het niet echt zeker dat dit altijd het geval is. Ook bijvoorbeeld baby's en blind geboren mensen hebben snelle oogbewegingen, hoewel zij niet in staat zijn om de bijhorende beelden te vormen. Wel geloven de meeste onderzoekers dat er een verband is met de hoeveelheid en de snelheid van de oogbewegingen in de droom. Zo heeft onderzoek aangetoond dat rustige periodes in een droom met weinig REM-activiteit gepaard gaan, en dat levendige dromen samenhangen met heftige REM-bewegingen.

Dat mensen REM-periodes nodig hebben, is genoeg aangetoond. In experimenten werden mensen in een slaaplaboratorium gewekt telkens als hun oogspieren activiteit vertoonden. De REM-periodes verschenen steeds sneller na het opnieuw inslapen, totdat alle slaapfases van 1 tot 4 volledig werden overgeslagen. De behoefte aan REM stijgt dus ongeveer op dezelfde manier als de behoefte aan slaap, en inderdaad heeft de Franse droomonderzoeker Jouvet naar analogie met de S-factor een stof in het hersenvocht aangetoond die REM opwekt. Tot nu toe is de samenstelling van deze stof niet bekend. Anders dan bij diepe slaap wordt een grote achterstand niet ingehaald door een intensere REM-periode, maar wel door een langere. Hoeveel van de verloren REM-tijd er wordt ingehaald, verschilt van persoon tot persoon. Dit verschil in 'REM-rebound' kan verklaard worden doordat sommige mensen meer onderdelen van de REM in andere slaapperiodes onderbrengen.

Tijden de REM vertonen de EEG-metingen het thètaritme, dat in de hersenen ontstaat in de hippocampus. Dat is één van de genetisch oudste gebieden van de hersenen, wat betekent dat bijna alle dieren het hebben. Recent onderzoek van Winson heeft aan het licht gebracht dat deze hersengolven iets te maken hebben met het opslaan van gegevens in het lange-termijngeheugen. Het komt onder meer voor bij dieren die gedrag aanleren dat nodig is voor hun overleven, maar dat ze nog niet hebben meegekregen vanaf de geboorte. Winson neemt aan dat tijdens de REM-slaap de nog niet verwerkte informatie in het lange-termijngeheugen worden geplaatst. Een mooi 'bewijs' van deze theorie is de Australische miereneter of echidna. Dit zoogdier is het enige in zijn soort dat geen REM-slaap heeft. Daardoor kan het dus ook geen gebruikmaken van de functie van de thetagolven. Kenmerkend voor de anatomie van dit dier is de in verhouding enorm grote prefrontale cortex, een gebied van de hersenen waar recente informatie wordt bijgehouden. Het lijkt er dus op dat de echidna deze grote hoeveelheid geheugen nodig heeft omdat hij geen thètagolven heeft die ervoor zorgen dat de informatie efficiënter opgeslagen wordt. Een andere aanduiding dat het thetaritme dient om informatie te verwerken en op te slaan, is het feit dat kinderen zeer veel slapen (en dus veel REM hebben) en dat de behoefte aan REM afneemt met de leeftijd.

Wat er nu juist gebeurt in de vijfde slaapfase, met andere woorden waarom we die nodig hebben, is nog een raadsel. Fishbein en Gutwein toonden aan dat dieren geleerde taken beter onthouden als ze tussen het moment van het leren en het herinneren geen REM-periode doorgemaakt hebben. Dement bewees dat een gebrek aan REM bij mensen leidt tot angst, prikkelbaarheid en concentratieverlies. Greenberg en zijn medewerkers vonden dat REM-deprivatie geen invloed heeft op het IQ van de proefpersonen, maar wel op hun gevoelsleven. Cohen en Cox toonden aan dat dromen over een stressvolle of onaangename gebeurtenis helpt om de gebeurtenis te verwerken en om in een betere stemming te geraken. Het is dus duidelijk dat REM zowel te maken heeft met de opslag van recente informatie in het lange-termijngeheugen als met het gevoelsleven.

Een laatste eigenaardigheid van de snelle oogbewegingen is dat in het hierboven beschreven experiment in de bunker de REM-periodes van de deelnemers telkens even lang duurden.

Chapter 2. Droom

Iedereen kent dromen en weet wat ze eigenlijk zijn, maar het is niet zo makkelijk om ze te definiëren. Wel is het een feit dat dromen enkel voorkomen tijdens de slaap en meer precies altijd in de vijfde slaapfase. Toch zijn de andere vier slaapperiodes geen 'blinde vlekken': ook daar komen ervaringen in voor, zij het minder gedetailleerd en levendig.

2.1. Definitie

De droom is een bepaald fysiologisch verschijnsel dat automatisch optreed tijdens periodes van lichte slaap. Het zijn periodes van een bepaalde bewustzijnstoestand die iedereen meemaakt als hij of zij slaapt. De dingen die de dromer beleeft worden op het moment zelf als echt ervaren. Alle zintuigen kunnen worden gebruikt, alhoewel het niet veel voorkomt dat iemand zich een bepaalde geur herinnert. Een vraag die veel gesteld wordt, is of de beelden in dromen in kleur of in zwart-wit zijn. Hierop is geen eenduidig antwoord te geven. Er zijn dromen waarbij het heel duidelijk is wat welke kleur heeft, maar soms is dit gewoon niet meer te achterhalen. Als de dromer zich de kleuren niet meer herinnert, wil dat nog niet zeggen dat hij geen kleuren gezien heeft. Er zijn mensen die beweren dat ze in zwart-wit dromen, er zijn er die altijd in kleur dromen en de meeste mensen weten het gewoon niet, behalve wanneer ze een uitgesproken kleurrijke droom hebben. Eigenlijk is de vraag of dromen in kleur zijn niet te beantwoorden omdat enkel van de herinnering aan de droom kan bepaald worden of er kleuren in voorkomen.

2.2. Verklaring

Over de oorzaak van dromen zijn veel theorieën bedacht, waarvan de meeste echter de tand des tijds niet doorstaan hebben. Van de vele theorieën die vandaag nog geloofwaardig worden geacht, zijn de meeste onderling zelfs complementair. Het is dus heel goed mogelijk dat er meerdere theorieëen juist zijn. Verder zijn er twee benaderingen: de psychologische en de neurologische. De eerste gaat uit van de gedachte dat de mens als denkend wezen dromen om de één of andere reden nodig heeft, en de tweede ziet dromen als een onvermijdelijk bijverschijnsel van een ander proces dat zich in de hersenen afspeelt.

2.2.1. Freud

De man die dromen als eerste wetenschappelijk bekeek, is de beroemde Sigmund Freud. Zijn standaardwerk 'De droomduiding' verscheen in 1900, werd eerst genegeerd maar kreeg steeds meer erkenning en wordt vandaag nog altijd gezien als de standaard voor droomverklaring. Freud beweert daarin dat alle dromen te verklaren zijn, dat ze psychisch nuttig zijn en dat ze iets zeggen over de persoon die de droom beleefde. Zijn theorie geeft ook een verklaring voor het vreemde karakter van dromen, en beweert zelfs het ontstaan van dromen te verklaren.

Centraal in Freuds theorie is dat de droom twee inhouden heeft: de latente en de manifeste. De manifeste is letterlijk dat wat zich manifesteert: de gebeurtenissen in de droom. Als iemand een verslag van een droom opschrijft, wordt enkel de manifeste inhoud genoteerd. De latente inhoud is veel minder duidelijk en ook moeilijker te ontdekken. Om de 'verborgen' latente inhoud te ontdekken, moet aan de hand van psychologische technieken bepaald worden waarom de gebeurtenissen zich voordoen. De oorzaken blijken dan altijd te vinden zijn in de persoonlijkheid, de problemen en de trauma's van de dromer. De latente inhoud maakt de betekenis van de manifeste droom duidelijk, en zegt daardoor heel veel over de dromer zelf. Het is daarom dat Freud aanraadt om dromen te analyseren (aan droomduiding te doen, zoals hij zelf zegt) met behulp van een psychiater.

De theorie van Freud gaat nog veel verder. Zo heeft ieder mens een onbewuste, het Es (of de ID), dat vooral gefocust is op het vervullen van dierlijke driften zoals eten, slapen en seks. Dit streven gebeurt instinctief en is aangeboren, maar wordt enigszins afgeremd door zijn tegenhanger, het bewuste Ich (of Ego). Die probeert de driften van het Es aan banden te leggen. Het Ich past dus als het ware censuur toe op het onbewuste.

Dromen, zo zegt Freud, zijn een niet-bedreigende voorstelling van het onbewuste. Tijdens een droom wordt de censuur van het Ich achterwege gelaten, maar om te vermijden dat de dromer wakker wordt uit zijn slaap worden de driften minder extreem uitgebeeld: ze worden vermomd. Ze verschijnen dan in de vorm van symbolen in de droom. Iedereen heeft symbolen die alleen voor zichzelf een betekenis hebben, maar er zijn ook universele symbolen. Dat Freud hierbij vooral voorbeelden geeft die staan voor de geslachtsorganen en de geslachtsdaad, is genoeg bekend. Een citaat uit De 'droomduiding' (dat trouwens pas in 1987 in het Nederlands verscheen):

[ "Alle objecten die zich in de lengte uitstrekken, stokken, boomstammen, paraplu's (...), alle langwerpige en scherpe wapens: messen, dolken, pieken, schijnen het mannelijk lid te vertegenwoordigen. (...) Bussen, dozen, kisten, kasten, kachels corresponderen met de schoot van de vrouw, maar ook grotten, schepen en alle mogelijke soorten van recipiënten. Kamers in de droom zijn meestal vrouwspersonen, de beschrijving van hun diverse ingangen en uitgangen wekt allesbehalve twijfel aan deze verklaring. (...) Opstappen, ladders, trappen, respectievelijk het beklimmen daarvan, en wel evengoed naar boven als naar beneden, zijn symbolische voorstellingen van de geslachtsdaad." ]

Dit ontlokte aan velen de kritiek dat de theorie van Freud te veel op het seksuele gericht was. Het is inderdaad moeilijk om een droom te verklaren met de technieken van Freud zonder er een seksuele droom van te maken. Freuds reactie hierop was dat hij enkel voorbeelden gaf en dat droomduiding nooit een klakkeloze toepassing van de symbolen mag zijn. Symbolen zijn immers zeer persoonlijke dingen, die bij iedereen een andere betekenis kunnen hebben.

Ook jonge kinderen dromen met symbolen, wat erop zou kunnen wijzen dat symbolen aangeboren zijn. Hoewel zeer moeilijk te bewijzen, heeft de droomtheorie van Freud in een (ethisch bedenkelijk) experiment toch succes behaald. Roffenstein (beschreven door Westerman Holstijn, 1948), gaf aan een kinderjuffrouw onder hypnose de opdracht om in een droom haar baas oraal te bevredigen. Die nacht droomde ze dat ze bij de baas op het bureau werd geroepen, en bananen kreeg aangeboden. Ze nam er één, at hem op en vond het lekker. Dat de banaan hier geldt als het schoolvoorbeeld van een fallussymbool, is wel duidelijk. In dit geval wordt de geslachtsgemeenschap dus inderdaad niet rechtstreeks, maar via een symbool voorgesteld.

Het proces waarin de latente inhoud wordt omgezet in de manifeste noemt Freud de droomarbeid. Het proces in de omgekeerde richting, uit de manifeste inhoud de latente destilleren, is zoals gezegd droomduiding. Voor de droomduiding kan de psycho-analist zich beroepen op verschillende technieken. Freuds eigen favoriet was de techniek van de vrije associatie. Daarbij wordt de patiënt aangespoord om alles te zeggen wat in zijn hoofd opkomt. Bij de droomduiding is intuïtie heel belangrijk, wat het voor veel wetenschappers moeilijk aanvaardbaar maakt. Toch ontdekte Freud ook enkele vaste patronen in de droomarbeid:

  • Verdichting:

    Verschillende latente betekenissen worden gecombineerd tot een manifest geheel. In de droom komt dus iets voor dat twee betekenissen tegelijkertijd heeft.

  • Verschuiving:

    Accentverplaatsing, bijvoorbeeld bedreigende dingen worden als onschuldig voorgesteld, maar de emotie blijft behouden.

  • Dramatisering:

    De droomgedachten, die onbewust zijn, worden omgezet in de visuele voorstelling van de manifeste droom.

  • Secundaire bewerking:

    Na het ontwaken voegt de dromer elementen toe of laat er weg om de droom meer begrijpelijker te maken. Dit gebeurt dikwijls onbewust.

Buiten de bekende kritiek op het seksuele karakter van Freuds theorie, zijn er nog meer bedenkingen geuit over het werk van Freud. Hobson bijvoorbeeld vindt de theorie veel te speculatief omdat hij op geen enkel vlak echt bewezen of aangetoond is en omdat Freud zich voor zijn theorie op veel te weinig dromen gebaseerd heeft. Hobson meent dat een goede theorie enkel kan gebaseerd zijn op grootschalig statistisch onderzoek. Toch blijken zaken als het onbewuste, symbolen, latente en manifeste droominhoud en verschuiving en verdichting zeer nuttig voor welke vorm van droomduiding dan ook. De verdienste van Freud is niet enkel dat hij de eerste was die zich op een wetenschappelijke manier bezighield met dromen, maar vooral dat hij een stevige basis heeft gelegd waarop wetenschappers tot op vandaag verder bouwen.

2.2.2. Jung

Carl Gustav Jung was eerst een leerling en volgeling van Freud, maar ging later zijn eigen weg. Jung ging wel gedeeltelijk akkoord met het seksuele in de theorie van Freud, maar kon niet aanvaarden dat zijn leermeester dat deel als een onaantastbaar dogma wilde vastleggen dat niet vatbaar was voor kritiek. Het was dit persoonlijk machtsstreven van Freud dat Jung ertoe aanzette om zijn eigen weg te gaan.

Jungs ideeën zijn eigenlijk een uitbreiding van de theorie van Freud. De stellingen zijn nog minder wetenschappelijk te bewijzen dan die van Freud, en lijken op het eerste gezicht nogal vergezocht. Toch zijn ze enkel ontwikkeld om waargenomen feiten te kunnen verklaren.

De eerste stelling van Jung is dat dromen ook een uiteindelijk doel hebben: ze bestaan om een effect te hebben op de dromer. Daarenboven is er naast het persoonlijke onderbewuste ook nog een 'collectief' onderbewuste waarin algemene ervaringen worden opgeslagen. Dit collectieve onderbewuste uit zich via zogenaamde archetypen (eigenlijk een soort symbolen, maar dan nog ruimer), die bijvoorbeeld in sprookjes, mythen en in de folklore te vinden zijn. Hiermee is gemakkelijk aan te tonen dat het collectieve onderbewustzijn voor alle mensen gelijk is, ongeacht de cultuur waarin ze leven. Want in veel culturen komen volledig onverklaarbaar dezelfde mythes voor en veel mensen dromen van mythische elementen zonder dat ze die mythes ooit gehoord hebben.

Tot slot heeft volgens Jung de droom voor de mens een evenwichtsfunctie: bepaalde onevenwichten in de geest van overdag worden gecorrigeerd. Jung vindt de manifeste droom ook belangrijker dan de latente, en vindt het zinloos om ze te verklaren aangezien het eigenlijk verhalen zijn in een andere taal die we niet begrijpen.

2.2.3. Gedragspatronen

Een eerste mogelijke neurologische verklaring vertrekt vanuit het feit dat de REM-periodes iets te maken hebben met het vastleggen van gedragspatronen. Menselijke dromen zouden een gevolg zijn van en een zicht bieden op het proces dat vanaf de kindertijd de strategieën voor het gedrag vastlegt. De ervaringen worden geëvalueerd en geïntegreerd in de mens en worden dan gebruikt als een bron van informatie voor verdere handelingen. Ze worden als het ware een deel van de kennis van het individu. Het verschil met de lagere zoogdieren is dan dat die ervaringen niet enkel beperkt blijven tot gebeurtenissen die van belang zijn voor het overleven, maar dat alle ervaringen verwerkt en vastgelegd worden. Winson, een van de grootste verdedigers van deze theorie, gelooft zelfs dat deze theorie hetzelfde beschrijft als datgene wat Freud het onderbewuste noemt. Bekeken vanuit het standpunt van de neurologie (die de zenuwen bestudeert) gaat het om nieuwe verbindingen in de hersenen waarin bepaalde patronen gefixeerd worden. Omdat ook negatieve en traumatische ervaringen en de gevolgen daarvan vastgelegd worden, kunnen die levenslange gevolgen hebben. Winson beschouwt het de taak van de psychoanalyse (de tak van de psychologie die alles analyseert volgens de theorieën van Freud) om de vastgelegde patronen en hun gevolgen aan te tonen en zo mogelijk ook te veranderen.

De grote verdienste van deze theorie is dat hij verklaart waarom de behoefte aan REM afneemt met de jaren en waarom de hersenen van mensen zoveel verschillen van die van dieren, zowel wat het gewicht betreft als de werking.

2.2.4. Activatie-synthese hypothese

De Amerikanen Hobson en McCarley ontwikkelden een andere theorie: de activatie-synthese hypothese. Deze hypothese (zo genoemd omdat de bedenkers het enkel als een mogelijke theorie beschouwen) sluit de voorgaande niet uit, en beschouwt dromen ook als een 'bijproduct' van een proces in de hersenen. De droomervaring, zeggen zij, is een noodzakelijk bijverschijnsel van de activatie van bepaalde motorische circuits (zenuwbanen) in de hersenen. Voor de andere hersengebieden lijkt het alsof de prikkels van buitenaf komen en ze worden ook zo geïnterpreteerd. Dromen zijn daarbij geen realistisch beeld van de werkelijkheid doordat naast de zintuiglijke indrukken van buitenaf ook enkele denkprocessen niet actief zijn. Dat dromen toch een samenhangend verhaal blijken te vormen heeft een oorsprong in de voorhersenen. Het ontstaan van een droom zou dus kunnen beschreven worden met de volgende opdrachten: “"Maak uit alle signalen die zich in het brein voordoen het meest zinvolle verhaal. Geloof dat verhaal (hoe onwaarschijnlijk ook), en doe daarna geen moeite om het te onthouden."” McCarley en Hobson beweren dat hierdoor de inhoud van dromen op geen enkele manier verklaard kan worden omdat over de werking van de hersenen nog maar zeer weinig geweten is. Deze hypothese is veelbelovend omdat ze verklaart waarom de ervaringen in de droom zo echt lijken. Het grote nadeel ervan dat ze tot nu toe op geen enkele manier te bewijzen is.

2.2.5. Mitchison en Crick

Een derde theorie is afkomstig van Graeme Mitchison en Francis Crick. Die laatste is geen onbekende, want hij ontving samen met Watson de Nobelprijs voor de ontdekking van de structuurformule van DNA. Volgens deze theorie ontstaan dromen in de neocortex. Dat is een gebied in de hersenen met een netwerk van onderling verbonden cellen die elkaar kunnen beïnvloeden. Wanneer er in dit netwerk veel activiteit is, zoals bijvoorbeeld tijdens de groei of wanneer er zich veel ervaringen voordoen, ontstaan er fouten in. Hiermee worden ongewenste verbindingen bedoeld, een soort van toevallige productiefouten. Het is vrij normaal dat er fouten ontstaan, want volgens een voorzichtige schatting heeft de neocortex van een vijfenveertigjarige ruim een miljard verbindingen. Aangenomen wordt dat foute verbindingen verantwoordelijk zijn voor de 'onlogische' associaties die we kennen als fantasie. Maar het is duidelijk dat het percentage aan fouten niet te groot mag worden; het brein moet dus de fouten 'repareren'. En dat is nu juist wat er volgens Crick en Mitchison tijdens de slaap gebeurt: foute verbindingen worden verbroken of zwakker gemaakt.

Leren gebeurt in de neocortex door het aanmaken of versterken van verbindingen tussen zenuwcellen. Hoe meer een verbinding gebruikt wordt, hoe beter hij wordt en dus hoe gemakkelijker de hersenen de taak uitvoeren. Tijdens REM gebeurt dus precies het omgekeerde als tijdens het leren. De REM-periode is een tijd van ont-leren. De auteurs zeggen het zo: "We dromen om te vergeten". En ze hebben ook nog enig bewijs voor hun stelling. Want de meeste fouten ontstaan tijdens periodes van veel groei en ontwikkeling, bij kinderen dus. En kinderen hebben van alle mensen de meeste fantasie en brengen ook de meeste tijd in de REM-fase door. Ook de Australische miereneter mag nog eens opdraven. Zijn fouten worden niet gerepareerd, dus moet zijn netwerk veel groter zijn dan normaal om nog een redelijk foutenpercentage te hebben. Ook is te verwachten dat de afwezigheid van het reparatieproces leidt tot al dan niet zware vormen van geestesziekheid. En dat zo zou je inderdaad de gevolgen van een tekort aan REM-slaap kunnen beschrijven.

Waarom het `ontleren' nu precies in de vijfde slaapfase gebeurt wordt ook verklaard. Ten eerste moet de storing van zintuiglijke in- en uitvoer zoveel mogelijk vermeden worden. Het lichaam moet dus slapen. Vervolgens moeten de foute verbindingen geactiveerd worden en moeten ze op een bepaalde manier verzwakt worden. En tijdens de REM-slaap is er veel activiteit in de hersenstam waardoor veel andere gebieden van de hersenen actief worden.

De laatste twee grote vragen blijven echter onbeantwoord. Hoe kunnen zenuwverbindingen verzwakt worden en hoe wordt bepaald welke er fout zijn en welke juist? Andere wetenschappers hebben hier gegronde vermoedens over, maar het leidt te ver om deze te bespreken

2.3. Inhoud

Wat er juist gebeurt in dromen verschilt van cultuur tot cultuur en vooral van mens tot mens. Om aan grootschalig onderzoek te kunnen doen ontwikkelden Hall en Van de Castle een codesysteem waarin alle gebeurtenissen in een droom systematisch kunnen opgetekend worden. Er zijn vijftien categorieën, elk met hun eigen speciale codes en eigenschappen. Ze pasten hun methode toe op duizend dromen van tweehonderd Amerikaanse studenten. Wat vooral opviel was het grote verschil tussen mannen- en vrouwendromen: vrouwelijke dromen spelen zich vaker binnenshuis af, hebben meer gezinsleden als personages en bevatten meer verbale dan fysieke agressie. Bij mannen zijn de meeste (twee derde) van de personages mannen, terwijl er bij de vrouwen wel een gelijke verdeling is.

In 1980 herhaalde Hall het onderzoek, om de invloed van de veranderde tijdsgeest in te kunnen schatten. De resultaten waren exact hetzelfde. De Jong en Waterman deden hetzelfde onderzoek in Nederland, en ontdekten wel enkele verschillen met de Amerikaanse droom. Zo dromen Nederlandse vrouwen niet zo vaak over gebeurtenissen binnenshuis, komen er bij mannen minder collega's voor in de droom en is er meer agressie en minder seks in de Nederlandse dromen.

De cultuur waarin men leeft mag dan een grote invloed hebben op de inhoud van de dromen, de persoonlijke verschillen zijn nog altijd veel belangrijker. Om te controleren of een droom juiste informatie geeft over het karakter van de dromer, onderzochten Hall en Lind éénendertig dromen van de beroemde Oostenrijkse schrijver Franz Kafka met de inhoud van drie van zijn romans en met biografische feiten. Ze toonden aan dat uit de dromen zeer duidelijk bepaalde eigenschappen van Kafka naar voren kwamen, die eenvoudig bevestigd konden worden. Dromen zijn dus een goede bron van informatie over het karakter van degene die ze heeft en ze zijn voor iedereen uniek.

2.4. Nachtmerrie

Een bepaald type droom is bij iedereen wel gekend: de nachtmerrie. Dat is per definitie een droom waaruit men wakker wordt, meestal door de sterke angstgevoelens die erin voorkomen. De dromer is altijd het slachtoffer van agressie. Nachtmerries komen vooral voor in de latere (en dus langere) REM-periodes. De (doods)angst in een nachtmerrie komt altijd samen voor met een moeilijke ademhaling, een drukkend gevoel op de borst en een gevoel van spierverlamming. Vroeger dacht men dat het drukkend gevoel op de borst veroorzaakt werd door geesten; tegenwoordig denken de wetenschappers eerder in de richting van een stilgevallen of bemoeilijkte ademhaling.

Het onderzoek naar nachtmerries wordt sterk tegengewerkt door een speciale eigenschap die de nachtmerrie gemeen heeft met de natte droom (een droom waarin de man ejaculeert). Beide droomsoorten zijn immers nog nooit opgetekend in een slaaplabo!

Hartmann toonde een verband aan tussen de persoonlijkheid van mensen en het aantal nachtmerries dat ze hebben.

Naast de nachtmerrie zijn er nog twee belangrijke vormen van nachtelijke angsten: pavor nocturnus en de hypnogogische nachtmerrie. De eerst komt meestal voor bij kinderen die ook in hun slaap praten. Ze schrikken dan 's nacht wakker zonder een angstige droom gehad te hebben en zijn een tijdje in paniek en volledig onaanspreekbaar. De hypnogogische of hallucinatoire nachtmerrie komt enkel voor bij narcolepsiepatiënten (mensen die leiden aan onbedwingbare slaapaanvallen). Zij hallucineren dan iets tijdens de overgang tussen waken en slapen, en kunnen achteraf onmogelijk geloven dat het niet echt was.

2.5. Onthouden

Om meer over dromen te leren, is het nodig om de vele dromen die men heeft te kunnen onthouden. De beste manier om dit te doen is zeer verschillend van persoon tot persoon, maar toch zijn er enkele gemeenschappelijke kenmerken.

Het onthouden van dromen is een vaardigheid, die enkel met oefening en discipline te leren is. Mensen hebben meer of minder aanleg voor het onthouden van hun dromen, maar met veel doorzetting kan bijna iedereen leren om zich álle dromen te herinneren (dit zijn er vier tot vijf per nacht).

2.5.1. Voornemen

Eén van de belangrijkste factoren bij het onthouden van dromen is het voornemen van de dromer. 's Avonds vlak voor het inslapen concentreren op het feit dat men zijn droom wil herinneren helpt enorm. Op de één of andere manier blijft dit voornemen heel de nacht in het bewustzijn, en de volgende morgen wordt men meestal wakker met de laatste droomscène nog in gedachten.

2.5.2. Wanneer

Ook belangrijk bij het onthouden van dromen is het moment waarop het gebeurt. Dit moet namelijk vlak na het ontwaken gebeuren. Meteen na het wakker worden ligt een droom nog vers in het geheugen, maar zonder de droom op te schrijven of erover te praten vervaagt de herinnering zeer snel. Na vijf minuten blijven er enkel nog wat flarden over, en na tien minuten herinnert men zich meestal niets meer. 's Morgens vinden de langste dromen plaats, en het is meestal de laatste droom die men zich voor de geest kan halen. Mensen die te weinig slaap hebben, herinneren zich doorgaans minder dromen dan anders.

Het meeste succes heeft men wanneer men zonder zorgen spontaan wakker wordt. Spontaan wakker worden gebeurt namelijk altijd op het moment dat men uit de vijfde slaapfase komt. Men ontwaakt met andere woorden meteen na het einde van de droom. De dromer mag zijn gedachte niet laten afleiden door andere zaken (zoals het werk van de dag, of het uur), omdat deze gedachten de droom verdringen. Kalm blijven liggen, de ogen gesloten houden en zich rustig afvragen waarover men gedroomd heeft biedt de meeste kansen op succes.

Ten slotte is er bij vrouwen ook nog een verband aangetoond met de maanstand (of met de dikwijls gelijklopende menstruatiecyclus). Tijdens en vlak vóór de menstruatie worden de minste dromen herinnerd; en de meeste worden onthouden tussen de tiende en de vijftiende dag van de cyclus. Onderzoek naar een gelijkaardig verschijnsel bij mannen is nog niet uitgevoerd.

2.5.3. Opschrijven

Om niets van een onthoude droom verloren te laten gaan, moet die op de één of andere manier geregistreerd worden. Het inspreken op een bandje brengt de dromer meestal uit concentratie; daarom schrijven de meeste mensen hun dromen op.

Over hoe dat gebeurt heeft iedereen een andere mening. Zo geven sommige mensen elke droom bijvoorbeeld een titel. Algemeen bekeken zijn die systemen het beste die toelaten om ook midden in de nacht dromen te noteren zonder daarbij al te wakker te worden. Ideaal is dus om in het donker te leren schrijven.

Letterlijk citaten en teksten moeten meteen opgeschreven worden, omdat ze na enkele minuten `veranderen'. Bij testen waarbij een gedroomd citaat meteen na het ontwaken en vijf minuten later nog werd opgeschreven, merkte Patricia Garfield dat de twee versies grote verschillen vertonen. De reden hiervoor is waarschijnlijk de `secundaire bewerking', zoals Freud ze beschreef.

2.5.4. Lichaamshouding

Gek genoeg is ook de lichaamshouding heel belangrijk bij het herinneren van dromen. Als men op een bepaald moment geen verdere scènes meer kan herinneren, helpt het om een andere slaaphouding aan te nemen. Bruuske bewegingen verstoren echter de herinnering aan dromen.

2.5.5. Methode

Op het moment dat men ontwaakt, is het meestal enkel de laatste scène uit de droom die men zich herinnert. De dromer vraagt zich vervolgens af wat er daarvóór gebeurde en herinnert zich de vorige scène, enzoverder. Wanneer het gebeurt dat men zich niets herinnert, helpt het soms om te denken aan al de mensen die men kent. Meestal is één van hen wel in een droom aanwezig geweest en kan men zich zo een bepaalde scène herinneren.

De droom wordt van achter naar voren helemaal voor de geest gehaald, en dan van voor naar achter opgeschreven. Het beste is om dit in de tegenwoordige tijd te doen, om zich beter in de gevoelens van de droom te kunnen inleven.

2.6. Dromen buiten REM

Door alle onderzoek naar het verband tussen dromen en REM, was men een tijdlang uit het oog verloren wat er tijdens de andere delen van de slaap gebeurt. Verschillende onderzoekers hebben ondertussen ontdekt, dat er in de NREM-periodes ook mentale activiteit is, maar dan niet in de vorm van 'afgewerkte' dromen. Proefpersonen die wakker gemaakt worden uit een REM periode, zeggen in 86 tot 90 procent van de gevallen dat ze zich denkactiviteit herinneren. Bij het wekken uit een NREM periode schommelt dit cijfer afhankelijk van het onderzoek tussen de zeven en de zevenenveertig procent. De resultaten worden hierbij vooral beïnvloed door de manier waarop de vraag gesteld wordt (er is BV een enorm verschil tussen "Herinnert u zich nog een droom" of "Herinnert u zich nog wat er zonet door uw hoofd ging". Het grote verschil tussen REM en NREM ligt dus niet in het aantal ervaringen, maar wel in de kwaliteit ervan.

David Foulkes bijvoorbeeld zegt:

[ "Rapportages verkregen tijdens REM-activiteit vertoonden meer betrokkenheid in affectieve, visuele en motorische zin, en zij waren uitvoeriger dan NREM-rapportages. De REM-rapportages hadden minder overeenkomst met het waakleven van de proefpersonen dan de rapportages uit andere stadia. Het betrekkelijk veelvuldig voorkomen van denk- en geheugenprocessen tijdens de stadia 2, 3 en 4 was vooral een opvallend resultaat." ]

En zijn collega Rechtscahffen meent:

[ "(dromen in NREM worden) minder goed herinnerd, (zijn) meer als denken en minder als dromen, minder levendig, minder visueel, meer begripsmatig, onder grotere wilscontrole, waarschijnlijk meer te maken hebbende met het dagelijkse leven, ze komen voor tijdens lichtere slaap, ze zijn minder emotioneel en plezieriger." ]

De ervaringen tijdens NREM lijken dus veel meer op echte gebeurtenissen dan op de 'verzonnen' en onrealistische droomverhalen. Ook het sterk visuele karakter van de droom ontbreekt.

2.6.1. Psychoneirica

David Foulkes, een Amerikaans psychiater en cognitief psycholoog, is zeer geïnteresseerd in de gedachtenvormen die zich tijdens NREM-fases voordoen, omdat hij ze beschouwt als `mislukte dromen'. Hij vergelijkt het maken van een droom met het vormen van een zin. Bepaalde elementen worden via bepaalde regels (die van de grammatica of die van een verhaal) samengevoegd. In de hersenen moet zich dus ook een centrum bevinden voor de grammatica van de droom.

Het veelbelovende van deze mogelijkheid is, dat de dromen in NREM eigenlijk onvolledige of fout afgewerkte dromen zijn. En net als bij de bestudering van de taal, kunnen de onderzoekers veel meer leren over de hersenen door te kijken naar wat er fout gaat in plaats van naar juiste voorbeelden.

Omdat Foulkes de dromen als een uiting ziet in een eigen taal, startte hij een nieuw wetenschappelijke discipline: de psychoneirica. Dit bestudeert de vorm van de taalprocessen die zich voordoen tijdens dromen.

2.6.2. Inslaapdroom

Een laatste vorm van dromen die niet tijdens de REM voorkomen, zijn de inslaapdromen. Op het moment dat men inslaapt vertonen de ogen SEM's, trage rollende oogbewegingen. De inhoud van de inslaapdroom is veel onderzocht, meestal met verschillende resultaten. Terugkerende elementen zijn een minder goed georganiseerd verhaal, minder betrokkenheid van de dromer in het verhaal, minder emoties en geen visuele eenheid maar eerder een aaneenschakeling van verschillende beelden. Het verschil tussen een inslaapdroom en een echte droom is dus ongeveer zoals het verschil tussen een diavoorstelling en een film.

Chapter 3. Lucide dromen

3.1. Definitie

Een lucide droom is heel eenvoudig een droom waarin men beseft dat men aan het dromen is. Een lucide droom hebben is niet altijd gelijk aan droomcontrole uitoefenen; veel mensen bepalen de inhoud van hun dromen zonder echt te beseffen dat wat ze zien hun eigen voorstellingen zijn. In een echte lucide droom (ook wel een bewuste droom genoemd) is men zich volledig bewust van het feit dat de omgeving, de andere personages en alle ervaringen zich enkel in het eigen hoofd afspelen en dat men eigenlijk slapend in bed ligt.

De dromer komt meestal tot bewustzijn in het midden van een gewone droom. Een minderheid van de lucide dromen, zo'n tien procent, ontstaat door het overgaan naar de droomtoestand zonder het bewustzijn te verliezen. Deze techniek vereist echter veel oefening en concentratie.

De term lucide werd voor het eerst gebruikt door Frederik van Eeden, de Nederlandse schrijver die het boegbeeld was van de literaire stroming van de tachtigers. Hij hield in 1913 in Londen een toespraak voor de `Society for Physical Research' over het fenomeen, dat hij uitvoerig bestudeerd had. Hij baseerde zich daarbij op zijn eigen droomdagboek, waarin hij over een periode van zestien jaar meer dan vijfhonderd dromen genoteerd had (waarvan driehonderdvijfentwintig van het bewuste type). Van Eeden verdeelde alle dromen over negen categorieën, waarvan de vijfde soort de lucide dromen zijn. Over deze soort van dromen zegt hij:

[ "In deze dromen is de reïntegratie der psychische functies zo volledig, dat de slapende zich zowel het waakleven als zijn eigen (ogenblikkelijke) toestand herinnert, dat hij een staat van volkomen bewustzijn bereikt en in de mogelijkheid verkeert zijn aandacht richting te geven en verschillende willekeurige handelingen te verrichten. En toch is de slaap, zoals ik met stelligheid kan vaststellen, ongestoord, diep en verkwikkend." ]

[ "In den helderen droom is het besef van het bezit van een lichaam -met ogen, handen, een sprekenden mond enzovoort - volkomen duidelijk; en toch weet ik tegelijkertijd dat het physische lijf slaapt en een geheel andere houding inneemt. Bij het ontwaken vermengen zich beide sensaties, om het zo uit te drukken, en ik herinner mij even helder het handelen van het droomlijf als den toestand van rust van het physische lichaam." ]

Het woord lucide wordt hier gebruikt in zijn betekenis van helder, duidelijk en klaar. Het is duidelijk dat hier het bewustzijn van de dromer bedoeld wordt; in een lucide droom ziet de dromer zeer helder zijn eigen toestand in.

Tijdens een lucide droom is de lichamelijke toestand net hetzelfde als tijdens andere dromen; dat wil zeggen in REM-slaap. De dromer is even uitgeslapen als anders, en voelt zich na het ontwaken dikwijls zelfs beter dan gewoonlijk door de ervaring van een heldere droom.

3.2. Kenmerken

Een algemeen kenmerk van lucide dromen is dat ze over het algemeen helderder en realistischer zijn dan gewone dromen. Ze zijn meer gedetailleerd en ze zijn door hun bijzondere inhoud en door het hoog bewustzijn van de dromer gemakkelijker te onthouden. Over het algemeen komen er minder `onmogelijkheden' in voor dan in gewone dromen.

In een lucide droom kan de dromer beschikken over al zijn zintuigen en al zijn denkvermogens. Het geheugen werkt over het algemeen uitstekend, behalve dat er bij de herinnering aan recente, specifieke details uit het echte leven kleine fouten kunnen optreden. Bij ervaren lucide dromers komt dit probleem niet meer voor.

De luciditeit van een droom is niet altijd even duidelijk. Het is mogelijk om te weten dat men droomt, zonder echt te beseffen dat alles wat men ziet een eigen voorstelling is. De helderheid van een droom is dus nooit absoluut, maar eerder een eigenschap die groot of klein kan zijn.

De kritische houding die nodig is om een lucide droom te kunnen hebben, werd door Oliver Vox treffend onderverdeeld in vier trappen (van klein naar groot):

  • De dromer verbaast zich pas over de droom na het ontwaken.

  • Nieuwsgierigheid in de droom; het droombeeld wordt geaccepteerd.

  • Korte verbazing over de gebeurtenissen in de droom.

  • Weten dat hetgeen gebeurt eigenlijk onmogelijk is; dit is het begin van een lucide droom.

3.3. Toepassingen

3.3.1. Droomcontrole

Het grootste voordeel van lucide dromen is de bijna absolute controle van de inhoud van de droom. Het is mogelijk om grote delen van de droom zelf te bepalen; maar niet volledig (althans niet bij westerse dromers). De dromer kan er ook voor kiezen om enkel zijn eigen gedrag te bepalen en voor de rest een `klassieke' droom te hebben.

In lucide dromen kan men als dromer letterlijk alles doen wat denkbaar is. Men kan vliegen zonder vleugels, praten met overleden mensen, lekker eten zonder dik te worden, seksuele fantasieën uitleven, een scène uit een film echt beleven, zonder gevaar de effecten van drugs voelen, of een extra dimensie toevoegen aan zijn bestaande dromen. Het is bijvoorbeeld mogelijk om aan droomfiguren (die eigenlijk de eigen gedachten zijn) te vragen wat ze eigenlijk betekenen. En net zoals gewone dromen, zijn lucide dromen heel nuttig voor het brengen van creativiteit en inspiratie.

De meeste lucide dromen worden gebruikt om ofwel een seksuele ervaring te beleven, ofwel om te vliegen. Dit vliegen lijkt op een bijzondere manier verbonden te zijn met lucide dromen. Frederik van Eeden bijvoorbeeld, wist dat hij een lucide droom ging krijgen als hij enkele nachten gedroomd had dat hij vloog. De ervaring van totale vrijheid door de gewichtloosheid maakt zweven in dromen zeer aangenaam. Toch is ook hier enige oefening nodig. Sommige mensen rapporteren bijvoorbeeld dat ze pas na enkele jaren een hoogte groter dan enkele meters konden bereiken. Iedereen die lucide droomt heeft zijn eigen vliegstijl.

3.3.2. Nachtmerriebestrijding

Voor één groep van mensen is het hebben van lucide dromen echt aanbevolen: zij die last hebben van nachtmerries. Het is met de huidige geneesmiddelen mogelijk om nachtmerries te vermijden, maar veel wetenschappers raden ze af omdat ze de REM-slaap, en dus ook dromen, onderdrukken, wat psychisch niet gezond is. Bovendien komen de kwade dromen na de behandeling steeds terug.

De kracht van een therapie op basis van lucide dromen zit hem in het feit dat de oorzaak van nachtmerries aangepakt wordt op de plaats van zijn ontstaan: in de geest van de patiënt. De oorzaak van een nachtmerrie is angst en de angst in dromen kan worden weggenomen. De patiënt wordt gewoon aangemoedigd om in elke nachtmerrie die zich voordoet op te komen tegen het gevaar. Zodra ze beseffen dat ze in dromen geen gevaar lopen en het gevaar ook zo benaderen, verdwijnt het vanzelf. Door de monsters of welke kwade beelden dan ook vriendelijk en uitnodigend te behandelen, kunnen de kwaadaardige droombeelden zelfs veranderen in iets aangenaams. De nachtmerries komen zeer zelden terug, en de patiënten staan sterker in hun schoenen doordat ze hun angst op eigen kracht zijn kwijt geraakt.

3.3.3. Lichamelijke training

Ook fysieke bewegingen kan men inoefenen tijdens een droom, zolang de hersenen maar vertrouwd zijn met de beweging. Vanuit het standpunt van de hersenzenuwen kunnen we stellen dat de verbindingen die nodig zijn om een bepaalde beweging uit te voeren, ook tijdens een droom kunnen gebruikt worden (en dus versterkt worden).

Sporters die in hun dromen bewegingen uitvoeren die ze in het wakkere leven al veel hebben uitgevoerd, trainen dus hun vaardigheid. Dit komt doordat in een droom om te bewegen dezelfde hersendelen gebruikt worden als overdag.

Naast de verbeterde coördinatie en de afwezigheid van vermoeidheid is er ook nog het voordeel van het verdwijnen van faalangst. De weinige bekende topsporters die zich met lucide dromen bezighouden, melden veel positieve gevolgen doordat ze in hun dromen onbevreesd nieuwe dingen konden uitproberen.

3.3.4. Droomvrienden en persoonlijke ontwikkeling

Door het betere contact met de figuren die voorkomen in de dromen kunnen er echte vriendschappen ontstaan in de droomwereld. Het is mogelijk om eenzelfde droomfiguur in een andere droom weer te laten verschijnen. De Senoi, een Maleisisch volk met een heel aparte droomcultuur, noemen vriendelijke elementen of personen in dromen hun droomvrienden. Met hun technieken slagen ze erin om, na veel oefenen (meer bepaald in elke droom), in bijna elke droom enkel droomvrienden te ontmoeten en negatieve elementen volledig weg te bannen.

Het zich oefenen in het onthouden van dromen sterkt het visueel geheugen: het is een oefening in het oproepen en vasthouden van beelden in het geheugen. In een lucide droom kan men bovendien experimenteren met gedrag; de dromer kan verlegenheid leren vermijden of zijn agressie afreageren zonder dat het slachtoffer er hinder van heeft. De ervaring is misschien niet echt, maar het gevoel wel. Met andere woorden, de dromer zal zich de volgende keer vriendelijker tegen zijn `slachtoffer' gedragen, omdat de woede afgereageerd is. Lucide dromen worden dan ook dikwijls gebruikt voor het oplossen van kleine sociale probleempjes.

Voor lucide dromen, en vooral het leren ervan, is veel concentratie en doorzettingsvermogen vereist. Daar staat tegenover dat het hebben van lucide dromen de toegang tot het geheugen en de concentratie zelf verbetert. Ook kan men in lucide dromen zeer creatieve oplossingen vinden voor problemen uit het dagelijkse leven. Niet alleen heeft een lucide dromer in zijn droom toegang tot een groter deel van zijn denkcapaciteit, hij kan ook oplossingen en raad vragen aan zijn droomvrienden. Patricia Garfield toont de kracht van de droomcreativiteit aan met voorbeelden van Nobelprijswinnaars die hun belangrijke ideeën opdeden tijdens een droom, en van een schrijver die zijn verhalen simpelweg door droomfiguren liet verzinnen.

Veel lucide dromers vinden dat hun successen en ervaringen in het droomleven ook een positief effect hebben in hun wakend leven. Ze krijgen meer zelfvertrouwen door de ervaringen die ze `s nachts beleven. De onbevreesdheid die ze voelen in hun dromen (de droombeelden zijn immers niet echt) slaat over op hun dagelijks leven. Hun persoonlijkheid en levensstijl krijgt een positieve wending door hun nachtelijke ervaringen. Het is zelfs niet ondenkbaar dat dromen op één of andere manieren de persoonlijkheid rechtstreeks veranderen, daar dromen heel duidelijk iets te maken hebben met de structuren in de hersenen.

Sommige mensen zijn zelfs in staat om in hun dromen hun hersengolven naar believen in- en uit te schakelen, hun bloeddruk te regelen, en de zuurafscheiding in hun maag te controleren. De mogelijkheid van een versneld fysiek herstel door concentratie in een droom werd al door meerdere dromers gemeld, maar is nog niet degelijk onderzocht.

3.3.5. Andere

Lucide dromen worden voor nog veel andere dingen gebruikt, bijvoorbeeld voor wetenschappelijk onderzoek. Proefnemers kunnen nu de toestand van de droom veel beter bestuderen, omdat ze de mogelijkheid hebben om de dromer instructies te geven. Bovendien kunnen ze communiceren met de dromer. Die kan signalen geven door de ogen te bewegen of zijn spieren te bewegen. Die zijn dan wel `verlamd', maar de elektrische stroompjes zijn wel af te lezen op een EMG (Electro MyoGram), dat de spierspanning meet. De onderzoeker geeft zijn boodschappen op voorhand, of gecodeerd in de vorm van lichtflitsen. Het geven van boodschappen via geluid is mogelijk maar zeldzaam omdat de dromer dan gemakkelijk wakker wordt.

De mogelijkheid van lichamelijke heling is door veel mensen aangegeven, maar niet bewezen. Veel dromers zijn in hun dromen signalen van een opkomende ziekte vóór ze de ziekte echt krijgen. Vooral de aanhangers van Jung en Freud geloven dat het dromen over symbolen die staan voor gezondheid ook inderdaad een positief effect heeft op de gezondheid. Wat de mogelijkheden van lucide dromen zijn op dit gebied, kunt u lezen in hoofdstuk 4, paragraaf drie.

3.4. Leren

Lucide dromen is een vaardigheid die iedereen kan leren. De tijd die daarvoor nodig is, verschilt van persoon tot persoon en schommelt van een maand tot enkele jaren. Het is dus niet zo gemakkelijk om tot lucide dromen te komen.

Twee factoren zijn enorm belangrijk bij het bewust leren dromen. De eerste is de motivatie, met andere woorden de bereidheid om oefeningen te doen. De andere is een goede herinnering van dromen. Dit is niet alleen nodig om een bewuste droom te herinneren (anders hebben ze niet veel nut), maar ook om vertrouwd te worden met het droomleven en zo in het midden van een droom tot luciditeit te leren komen.

Het aanleren van bewust dromen is een geleidelijk proces met veel moeilijkheden. Zo kan een dromer wel vermoeden dat wat hij ziet een droom is, maar soms doet de droom er alles aan om zijn bedenker ervan te overtuigen dat zijn ervaring een echte is. Naast een grote dosis volharding, zijn er ook enkele speciale technieken ontwikkeld die het opwekken van lucide dromen sneller en gemakkelijker maken. Er bestaan zelfs elektronische apparaatjes die de dromer helpen te beseffen dat hij droomt. Een uiterst gemotiveerd persoon die genoeg aanleg heeft, kan het punt bereiken waarop hij of zij in elke droom naar believen de luciditeit kan in- of uitschakelen.

3.4.1. Technieken

Er bestaan een aantal technieken, zowel ontleend aan andere culturen als gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, die zeer nuttig zijn voor zij die lucide leren dromen.

  1. A Realiteitstest

    Om lucide te worden in een droom moet men zich eerst afvragen of men nu eigenlijk wakker is of droomt. Dat gebeurt in een realiteitstest. Hoe meer de realiteitstesten overdag geoefend worden, hoe groter de kans wordt dat de dromer er ook één in zijn droom zal doen.

    Een gemiddelde van vijf testen per dag wordt aangeraden voor beginners. Het is handig om de testen te verbinden aan bepaalde gebeurtenissen die dikwijls voorkomen zoals in een spiegel kijken of een klink vastpakken. Ook moet de lucide dromer-in-spé leren om telkens een realiteitstest te doen wanneer hij iets gek of onmogelijk opmerkt (dit kan wijzen op een droomtoestand).

    Het is niet zo eenvoudig om te weten te komen of je al dan niet droomt. Dikwijls wordt geprobeerd om even in de lucht te springen. Als men na één seconde nog niet terug op de begane grond geland is, weet men dat het een droom is. Ook is het handig om even na te gaan vanwaar je komt en wat je het moment ervoor gedaan hebt. Als er onduidelijke overgangen in het verhaal zitten, is het zeer waarschijnlijk dat je droomt.

    Maar er zijn ook meer wetenschappelijke manieren om te controleren of men in de droomtoestand verkeert. Zo is gebleken dat cijfers en letters in dromen nooit helemaal normaal zijn. Ofwel zijn ze onduidelijk, onleesbaar of onlogisch, ofwel veranderen ze als men er twee keer naar kijkt. Het is dus heel handig snel even op bijvoorbeeld een horloge te controleren of de cijfers wel normaal zijn.

  2. B Droomsignalen

    Droomsignalen of `dreamsigns' zijn typische elementen die doorgaans enkel in dromen voorkomen en waaruit men kan concluderen dat men droomt. Het zijn met andere woorden onmogelijke gebeurtenissen, dingen of typische droombeelden die de dromer kan herkennen. Iedereen heeft zo zijn eigen droomsignalen, en om lucide te leren dromen is het belangrijk om ze te leren ontdekken in opgeschreven dromen.

    Voorbeelden van droomsignalen zijn bijvoorbeeld zwevende personages, dode mensen die leven of apparaten die niet of slecht werken. Dit laatste is vreemd, aangezien mensen en dieren in dromen meestal zeer `echt' reageren. Apparaten daarentegen doen bijna nooit wat van hen verwacht wordt.

    Wanneer men een droomsignaal opmerkt, komt men in een `voor-lucide' toestand. Dat betekent, dat men dan de mogelijkheid heeft om over te gaan in een lucide droom. Het enige wat nog moet gebeuren, is een realiteitstest (als die nog nodig is.)

  3. C MILD

    De MILD-techniek, voluit Mnemonic Induction of Lucid Dreams, werd ontwikkeld door LaBerge in de tijd van zijn doctoraalstudie. Mnemonic betekent `door het geheugen gesteund' en induction betekent `het oproepen'. Met MILD is het mogelijk om lucide dromen naar wens te kunnen oproepen tijdens de slaap. Hij bestaat uit vier delen:

    • Het herinneren van dromen:

      De dromer neemt zich voor om na elke droom te ontwaken en om zich de droom te herinneren.

    • Concentratie op het voornemen:

      Bij het inslapen concentreert de dromer zich op zijn wil om de dromen te herinneren. Als de gedachten afdrijven, moet de MILD-gebruiker genoeg discipline opbrengen om zijn aandacht terug op het doel te concentreren.

    • Voorstellen dat men lucide wordt:

      Men stelt zich voor dat men werkelijk slaapt, en voert in deze `voorgestelde droom' datgene uit wat men van plan was om te doen in een lucide droom.

    • Herhaling van de vorige stappen:

      Herhaling tot men effectief een lucide droom heeft, of tot men in slaap valt.

Het is heel belangrijk dat men weet wat men wil uitvoeren in een lucide droom. Hierdoor vergroot de kans om zo'n droom ook echt te krijgen. De intentie wordt meestal in een simpele zin uitgedrukt, zoals “"Ik ga vliegen in mijn droom."”.

3.4.2. Hulpmiddelen

The Lucidity Institute, een organisatie die lucide dromen toegankelijk wil maken voor een zo groot mogelijk publiek, brengt elektronische apparaatjes op de markt die helpen om lucide te worden.

De mogelijkheid van een waarschuwingssysteem om de dromer te melden dat hij slaapt, werd al zeer vroeg bedacht door verschillende mensen. Veel onderzoeken werden gedaan naar methodes om uitwendige prikkels zoals aanraking, lichtflitsen en geluid door te laten dringen in de droom zonder de dromer wakker te maken. Stephen LaBerge, een psychofysioloog aan Stanford University en verbonden aan The Lucidity Institute, werkte zijn ideeën verder uit met experimenten. De beste resultaten werden gehaald met snelle lichtflitsen.

De NovaDreamer, één van de apparaatjes die verkrijgbaar zijn bij The Lucidity Institute, werkt volgens het principe van de REM-slaap: in de periode waarin dromen voorkomen, maken de ogen snelle bewegingen. Het meet die bewegingen met een bewegingssensor die in een soort zacht masker zit. Als het hoofd zelf niet te hevig beweegt (dat wil zeggen, als de dromer slaapt), zend het licht- of geluidssignalen uit. De gebruiker moet zijn apparaat heel precies afstellen zodat er op het juiste moment signalen gegeven worden die sterk genoeg zijn, maar toch de gebruiker niet wekken uit de droom. De signalen worden dan opgenomen in de droom en dan is het nog aan de dromer om ze te herkennen en eruit te concluderen er een droom aan de gang is.

De hulpmiddelen veroorzaken geen lucide dromen, ze helpen de dromer enkel om lucide te worden. Daarom zijn er voor het herkennen van de licht- of geluidssignalen van de bril ook mentale oefeningen nodig, die overdag moeten uitgevoerd worden.

In de praktijk blijken de elektronische hulpmiddelen zeer succesvol. In een onderzoek uitgevoerd door LaBerge, bleek dat van de veertien deelnemers acht mensen méér lucide dromen hadden wanneer ze sliepen met een werkende NovaDreamer. Statistisch gezien verhoogt de NovaDreamer de kans op lucide dromen met driehonderd procent, wat ongeveer even effectief is als het gemotiveerd gebruiken van de MILD-techniek. Een combinatie van MILD en NovaDreamer levert een toename van het aantal lucide dromen met vijfhonderd procent.

3.4.3. Problemen

Bij het leren van lucide dromen stuiten de meeste mensen vaak op dezelfde problemen. Gelukkig heeft onderzoek van het Lucidity Institute uitgewezen dat er in de meeste gevallen zeer eenvoudige en effectieve technieken zijn om ze te overwinnen.

Zo komt het vaak voor dat men droomt dat men ontwaakt. Men denkt dan na over de droom die juist geweest is, maar vergeet te controleren of men nu wakker is of slaapt. Soms droomt men dan dat men weer inslaapt, en gebeurt het daarna wéér. Het spreekt vanzelf dat bij zo'n vals ontwaken een mooie kans om lucide te worden gemist wordt. Daarom leren lucide dromers om elke keer dat ze wakker worden een realiteitstest te doen. Onderzoek wees uit dat bijna de helft van alle lucide dromen ontstaat door zo'n realiteitstest tijdens een vals ontwaken. Apparaten zoals de NovaDreamer bevatten zelfs een speciale functie waarmee men kan testen of het ontwaken echt is of niet. Het gaat om een gewone knop die een geluidssignaal geeft. Apparaten werken niet correct in dromen, dus bij een vals ontwaken hoort men geen geluid.

Een ander probleem is het ontwaken op het moment dat men beseft dat men aan het dromen is. Door de grote opwinding die daarmee gepaard gaat, wordt het zeer moeilijk om verder te blijven dromen. De oplossing hiervoor is simpel: gewoon kalm blijven, zich concentreren op de droom en rondtollen. Het droomlichaam wordt daarbij rondgedraaid zodat de omgeving snel ronddraait. De ogen worden gesloten gehouden en wanneer men weer stilstaat worden ze weer geopend. Met de juiste overtuiging en een dosis geluk ziet men niet de vertrouwde slaapkamer, maar een stukje droomwereld.

Een andere veel voorkomende oorzaak van ontwaken is te lang naar één punt staren. Als men in een droom de ogen te lang onbeweeglijk houdt, wordt men onvermijdelijk wakker. Op de één of andere onbekende manier heeft dit iets te maken met de snelle oogbewegingen in de REM-periode.

3.5. Andere bewustzijnstoestanden

Lucide dromen zijn heel sterk verwant met andere bewustzijnstoestanden. Met name de visioenen zoals Hadewijch en de anderen die zich aan de `devotie' wijdden hadden, vertonen veel gelijkenis met lucide dromen. Er is bijvoorbeeld sprake van diepe concentratie, van geloven in het feit dat de ervaring zal optreden en ook van bewustzijn tijdens de ervaring in plaats van erna. Het feit dat de visioenen meestal overdag bij wakkere toestand verschenen hoeft de mogelijkheid niet uit te sluiten dat het lucide dromen (of verwante ervaringen) zijn. Eerder is namelijk beschreven dat het mogelijk is om meteen vanuit wakkere toestand over te gaan in een lucide droom.

Verder is er ook veel onderzoek gedaan (zonder veel resultaat overigens) naar buitenlichamelijke ervaringen. Zo'n Out Of Body Experiences of OBE's zijn ervaringen waarbij men zijn eigen lichaam van buitenaf ziet. Zo'n acht tot dertig procent van alle mensen hebben al ooit een OBE meegemaakt. Ook veel bijna-dood zijn eigenlijk schoolvoorbeelden van OBE's.

Er zijn veel gelijkenissen tussen OBE's en lucide dromen. Buitenlichamelijke ervaringen komen meestal voor bij totale spierontspanning, na grote inspanningen of onder invloed van eentonige geluiden of drugs; kortom, in allerlei situaties waarbij de invoer van uitwendige zintuiglijke indrukken verstoord wordt. En die zintuiglijke indrukken zijn ook tijdens een droom afwezig.

Het grootste verschil is datgene wat de persoon ervaart. Wanneer iemand in een lucide met opzet droomt dat hij een OBE heeft, weet hij dat hij droomt, maar lijkt het of dat wat hij ziet realiteit is. Bij een echte OBE weet men dat men wakker is en heeft men een droom-achtige ervaring.

Chapter 4. Lucide dromen in andere culturen

Andere culturen gaan op een heel verschillende manier met (lucide) dromen om. De kennis die men nu heeft, is voor grote delen te danken aan tradities van natuurvolkeren en van de Indianen in Noord-Amerika. En ook in de oudheid wist men op doeltreffende wijze gebruik te maken van de kracht van dromen.

4.1. Oudheid

Zowel de oude Grieken, de Egyptenaren, de Hebreeërs, Indiërs, Chinezen als Japanners hadden (of hebben nog steeds) speciale kloosters voor pelgrims naartoe gingen. Zij deden dan aan droomincubatie, een verzamelnaam voor technieken die het mogelijk maken de inhoud van dromen te bepalen. Hun doel was om hun eigen godheid te ontmoeten.

Met diepe concentratie, totale ontspanning en verschillende rituelen prentten de deelnemers zich in dat ze een visioen zouden krijgen van een godheid. De pelgrim verwachtte uit zijn visioen advies, hulp en genezing te krijgen. En inderdaad, bijna alle deelnemers kregen de verwachte droom met het gewenste resultaat (alhoewel ze zelf zouden zeggen dat het geen droom was). Deze technieken voor het opwekken van dromen over een bepaald onderwerp bestaan vandaag nog altijd, en worden nu suggestie genoemd. De dromer droomt datgene wat hij verwacht te dromen; als men dus verwacht nuttige en aangename dromen te hebben, gebeurt dit ook effectief.

Het lukken van deze techniek hangt vooral af van de dromer zelf. Die moet ten eerste geloven dat het kán, en ten tweede zichzelf ontspannen en concentreren. De kloosters boden hiertoe veel mogelijkheden en de aanwezigheid van andere pelgrims en vooral de imposante rituelen droegen sterk bij tot het succes van de droomincubatie.

4.2. Amerikaanse Indianen

De Indiaanse culturen in Amerika hadden allemaal veel aandacht voor dromen. Alhoewel hun rituelen en tradities onderling sterk verschillen, zijn er ook veel overeenkomsten tussen de verschillende stammen.

Zo zijn de dromen altijd een onderdeel van de religie: ze vormen het directe contact met het bovennatuurlijke. Dromen zijn ook helemaal verweven in het sociale systeem: de `droomuitlegger', dikwijls de medicijnman, heeft een grote status.

Het grootste verschil met de droomvisie uit de oudheid is de veel grotere vertegenwoordiging van dieren in de dromen. Bij de indianen, een natuurvolk, zijn dieren een onderdeel van het dagelijks leven, maar ook van de droomsymboliek. Verder beschouwen de indianen de dromen ook niet als bedrog, maar als een voorstelling van de spirituele realiteit. De visioenen die elke man krijgt bij zijn adolescentieritueel (zie verder), zijn voor hen gewoon dromen met een zeer grote waarde.

Net als bij de pelgrims in de oudheid, wordt aan dromen veel nut toegekend. Ze kunnen namelijk dienen om de toekomst te voorspellen, maar ook voor het oplossen van psychische problemen en voor het geven van inspiratie.

De kinderen worden vanaf de prille jeugd bewust gemaakt van het nut van dromen. Bij de overgang naar de volwassenheid is er een periode van afzondering en vasten. Dan krijgen de jonge mannen hun `visioen', waarin hen (meestal door een `voorouder' in de verschijningsvorm van een dier) verteld wordt wat hun functie in de stam word. Op later leeftijd krijgen ze nog veel meer visioenen, waaruit ze veel kennis opdoen. Ook hier geldt dus: geloven dat de nuttige droom zal komen, doet hem ook werkelijk komen. Net als bij de pelgrims is er een `culturele druk' om de droom te krijgen, en volgt er achteraf ook een beloning. Dat verhoogt blijkbaar de kans om ook werkelijk het gewenste te dromen.

De dood zien de indianen dikwijls als een soort overtreffende trap van een droom. Daar waar de droom te beschrijven is als een rivier van emoties en gebeurtenissen, is de dood een wilde zee. Dit komt sterk overeen met de visie van de Boeddhisten op de dood.

4.3. Senoi

De droomcultuur van de Senoi, een natuurvolk met ongeveer twaalfduizend leden uit het dichtbegroeide woud op schiereiland Malay in Maleisië, kan als nog verder ontwikkeld worden beschouwd dan die van de Indianen.

Vanaf de kindertijd worden de jonge Senoi's geleerd hoe ze met hun dromen om moeten gaan, en hoe ze er voordeel uit kunnen halen. Na enkele jaren vergeten ze nooit nog een droom en hebben ze geen nachtmerries meer. Elke ochtend komt de grote familiegemeenschap bij elkaar voor het bespreken van de dromen. Daarbij worden bepaalde principes en methodes steeds herhaald:

  • De dromer moet élk negatief in de element zien als de manifestatie van een droomvijand, en deze droomvijand aanvallen en overwinnen. Dit zorgt ervoor dat er tegen de volwassenheid praktisch geen dromen meer voorkomen met een negatieve of agressieve inhoud.

  • Van overwonnen droomvijanden (en ook van droomvrienden, zie verder) moet een cadeautje geëist worden dat in het wakkere leven nuttig is, bijvoorbeeld een gedicht, een oplossing voor een probleem, of een idee voor een kunstwerk.

  • Negatieve situaties moeten omgebogen worden tot positieve. Bijvoorbeeld: als de dromer valt, moet hij proberen te beginnen met vliegen.

  • Elementen in dromen die positief en vriendelijk zijn, zijn droomvrienden. Net als in het gewone leven geldt dat de relaties goed moeten onderhouden worden, en dat hoe meer vrienden men heeft, hoe beter het is.

  • De dromer moet steeds dankbaarheid tonen voor cadeautjes en tegenover droomvrienden.

  • De dromer moet streven naar zoveel mogelijk genot in de droom. Als hoogste vorm van genot geldt het orgasme.

Dat het systeem van de Senoi werkt, is een feit. Veel moderne lucide dromers passen nog altijd de technieken van dit natuurvolk toe. In een ideale omgeving, zoals die in Maleisië aanwezig is, leiden de technieken tot dromen die steeds positiever, plezieriger en waardevoller worden.

Er zijn overeenkomsten met de droomcultuur van de Indianen, maar ook grote verschillen. De Indianen zien de droom bijvoorbeeld als een geschenk van een hogere macht, terwijl de Senoi's positieve en nuttige dromen krijgen doordat ze die afdwingen van hun droomfiguren, of door het hen vriendelijk te vragen.

De moderne wetenschap vermoedt dat zestig tot tachtig procent van de ziektes ten minste ten dele van psychologische oorsprong is. De Senoi's hebben hier helemaal geen mening over, omdat zij het begrip ziekte gewoon niet kennen. Antropologen die jarenlang bij het volk verbleven, hebben inderdaad geen enkele lichamelijke of psychische ziekte vastgesteld. De leden van deze stam zijn werken zeer veel samen, delen hun verantwoordelijkheid en zijn zeer kunstzinnig. De Senoi's zijn ook buitengewoon vreedzaam: ze hebben zeer weinig drang naar bezit en leven in complete vrede met de meeste (oorlogszuchtige) volken die hen omringen.

4.4. Boeddhisme

De geestelijke discipline die de `Yogi van de slaap en droom' (leden van een bepaalde Boeddhistische sekte in Tibet) bereiken, grenst aan het ongelofelijke. Net zoals bijvoorbeeld de Shao-Lin monniken leren om hun lichaam volledig te beheersen, leren de Yogi van de slaap en droom om hun geest volledig te controleren. Hun training in het Himalaya-gebergte gebeurt in afzondering en bestaat uit verschillende stappen.

  • Psychische warmte

    De toekomstige monniken leren de kracht van de geest kennen door zich te bekwamen in het ontwikkelen van psychische warmte. Door zich zeer sterk te concentreren, kunnen ze hun lichaam abnormaal lang verwarmen. Dat wordt wel duidelijk door de test die ze na deze fase moeten afleggen. De leerlingen gaan naakt buiten zitten, bij een snedige wind en temperaturen van ongeveer min vijf graden Celsius. Dan trekken ze dikke doeken aan, die in ijskoud water zijn gedoopt. Pas wanneer ze zo drie doeken gedroogd hebben, zijn ze geslaagd.

  • De illusie van het lichaam

    Na de psychische warmte moeten de leerlingen mediteren over het lichaam. Uiteindelijk komen ze tot de conclusie dat het lichaam niets meer is dan een door de geest opgeroepen illusie.

  • De illusie van de droomtoestand

    Vervolgens worden weken besteed aan het doorgronden van de droomtoestand. De Yogi leren om meteen vanuit wakkere toestand over te gaan in een droom en om de droominhoud naar wens te veranderen. Na veel meditatie leren ze in te zien dat dromen enkel illusies zijn, net zoals het lichaam. Meer nog, ze zien geen enkel wezenlijk verschil tussen het gewone leven en dat in een droom, dus ook het leven overdag is een illusie (Alle dingen zijn van hetzelfde materiaal als dromen gemaakt.)

  • De toestand van helder licht

    In deze toestand staat de leerling volledig open voor de helderheid van alle ervaringen. Uiteindelijk wordt het inzicht bereikt dat álles deel uitmaakt van een droom van één wezen: Boeddha. Op het moment dat Boeddha wakker wordt, eindigt zijn droom en dus ook de werkelijkheid zoals wij die kennen. Op het moment dat de leerling dit volledig beseft, is hij `verlicht' en ervaart hij de éénwording met de hele wereld: het nirwana.

  • Bardo

    Het Bardo is de toestand na de dood. Het is, volgens de Yogi van de slaap en droom, te vergelijken met een soort verlengde droomtoestand. Diegenen die hierin terecht komt en vergeet dat alle dromen slechts illusies zijn, ondergaat de meest afschuwelijke visioenen.

  • Bewustzijnsoverdracht in een ander lichaam

    Iemand die niet vertrouwd is met Bardo wordt door de visioenen zeer snel terug naar de aarde verjaagd, en reïncarneert. Enkel de Boeddhisten die een zeer hoog niveau van bewustzijn bereiken, kunnen deze vicieuze cirkel doorbreken. De anderen, die nog niet het hoogste niveau bereikt hebben, kunnen in alle rust kiezen waar en hoe ze zullen reïncarneren, en dragen dan hun bewustzijn over in hun nieuw lichaam.

Door hun grote kunde op het gebied van de concentratie, is het niet verwonderlijk dat de Boeddhisten zo vaardig worden met dromen. De dingen die zij bereiken, zijn echter niet mogelijk voor westerse dromers. Niet alleen moeten de kandidaten eerst een jarenlange training in concentratie en ademhaling gehad hebben, ze moeten ook hun hele leven wijden aan meditatie.

Net zoals de Senoi hebben de Boeddhisten verschillende methodes om hun droomwereld nuttiger te maken. Het gaat meestal om technieken die we al besproken hebben, maar dan in een andere vorm. De Yogi leren bijvoorbeeld om de wezens in hun dromen gunstig te stemmen (zie de `droomvrienden' bij de Senoi), om gevaar tegemoet te treden en aan te vallen, en om geen enkele angst meer te voelen bij droombeelden. Verder is er de overeenkomst met de indianen dat de concentratie en meditatie gebeurt op in een vredige en afgelegen omgeving. De religieuze omgeving en rituelen zijn dan weer gemeenschappelijk met de droomcultuur uit de oudheid.

Chapter 5. Besluit

Dromen zijn interessant en leuk, en kunnen veel informatie geven over diegene die ze heeft en interpreteert. Lucide zijn nóg leuker, interactief en kunnen zowel een manier zijn om eenvoudige en nutteloze pleziertjes te beleven en om de eigen persoonlijkheid en levenskwaliteit te verbeteren. In een droom heeft men toegang tot de volledige kracht van het onderbewustzijn, en tegelijkertijd ook tot het geheugen van overdag.

De mensheid heeft vele grote verworvenheden te danken aan inspiratie uit dromen, onder meer vele kunstwerken, de laatste daden van Plato en de ontdekking van de cirkelvormige structuur van benzeen.

De westerse visie op dromen is niet alleen veel te bekrompen (`dromen zijn bedrog'), maar zelfs beledigend voor de fantastische en leerrijke ervaringen die dromen kunnen zijn. De indianen, de Senoi's en vooral de Boeddhisten hebben op het gebied van dromen en bewustzijn lichtjaren voorsprong op de westerse wetenschap. Daarom wilde ik me niet beperken tot enkele inzichten van de wetenschap, maar ook de kracht van dromen aantonen met enkele andere droomculturen. Ik heb net deze vier culturen gekozen omdat er genoeg informatie over te vinden was en omdat ze kunnen gelden als `prototypes' voor gelijkaardige visies van andere volkeren.

Ik heb me zelf ook een tijdje bezig gehouden met mijn dromen. Het lukte me na enkele weken al om elke dag een droom te kunnen herinneren en deze dan uitgebreid op te schrijven. Ik heb enkele voor-lucide en zelfs volledig lucide momenten meegemaakt, maar ik slaagde er niet in om in de droom te blijven: ik werd steeds wakker door de grote opwinding. Toch kan ik zeggen dat het een fantastisch gevoel is. Ik kan het aan iedereen aanraden

Bibliografie

Boeken

M.A. De Jong. Swets en Zitlinger bv, Amsterdam. Copyright © 1991. Sprekend nog met de nacht.

W.C. Dement. Lemniscaat, Rotterdam. Copyright © 1976. Slapen de dromen.

P. Garfield. Maarten Muttinga bv, Amsterdam. Copyright © 1988. Slapen de dromen.

P. Tholey and K. Utecht. Strengholt, Naarden. Copyright © 1987. Bewust willen dromen.

Naslagwerken

Elsevier, Amsterdam. Copyright © 1975. Grote Winkler Prins Encyclopedie.

Internet

L. Levitan. Copyright © 1994. A Fool's Guide to Lucid Dreaming.

L. Levitan. A thousand and one nights of lucid dreaming.

The Lucidity Institute. How to remember your dreams.

The Lucidity Institute. Copyright © 1994. Lucid Dreaming Frequently Asked Questions and Answers.

Colophon

Een eerste versie van deze tekst werd afgewerkt in 1999 voor mijn eindwerk in het zesde middelbaar. Het werd geschreven in MS Word, wat achteraf een pijnlijk proces bleek...

Na een eerste omzetting naar HTML (op aanvraag), is deze DocBook-XML vorm eindelijk de definitieve. Hij werd voor het eerst publiek gemaakt in april 2004, vier jaar nadat de eerste versie verscheen. Zowel de HTML als de PDF versie worden gegenereerd op basis van het DocBook document.